Waar je gevallen bent, blijf je.
In het hele universum is dit je plaats.
Alleen maar deze ene plek.
Maar die heb je helemaal van jezelf gemaakt.

JÁNOS PILINSZKY (1921-1981)

20110226

Paprika

Menno heeft een stalker. Een beschaafde nette stalker. Hij vindt het soms bijna een geruststelling, de ademhaling van de stalker in z’n oor. Soms is het fijn te vertellen waar hij zoal mee bezig is. De stalker is een luisterend oor.
Het is goed om gestalkt te worden, zo denkt Menno erover. Het hoort erbij, zegt hij. Net als stickertjes op appels. Je kunt er wel een probleem van gaan maken, maar je weet toch al dat er niemand is die denkt: ik ga er mijn levensdoel van maken. Ik laat alles uit mijn handen vallen om ervoor te zorgen dat de appelstickertjes van de aardbodem verdwijnen. Net als stalkers. Zo erg zijn ze niet.
Menno probeert zijn stalker te begrijpen.
- Dag meneer, heeft Menno wel eens gezegd. Verveelt u zich misschien. Dat u me zo vaak belt. Verwacht u dat we op een dag vrienden zullen zijn?
Aan vrienden heb je nooit gebrek, is zijn opgewekte levensvisie. Ook niet aan vrienden die een verleden hebben als stalker. Hij denkt dat stalkers heel aardige mensen zijn. De eenzaamheid drijft ze tot rare dingen.
Zijn stalker antwoordt nooit.
-Tot mijn spijt kan ik niet de hele avond naar uw ademhaling luisteren, zei Menno op een dag. Ik snap dat u daar plezier in heeft, maar ik heb simpelweg de tijd niet. Een andere keer misschien.
Dat laatste zei hij uit pure beleefdheid. Maar hij meende het ergens wel. Beleefdheid kan ook oprecht zijn. Menno weet niet of het de stalker uitmaakt. Dat hij beleefd tegen hem is. Je weet niet wat voor dingen zo’n stalker al naar z’n kop geslingerd heeft gekregen. Hij woont in een nette buurt. Dus als de stalker Menno’s segment van het telefoonboek gebruikt zal het allemaal wel meevallen.
Menno woont klein. Een kamer in Tilburg. Voor een man van veertig is het ongewoon maar vrienden heeft hij toch niet. Wijn en literatuur zijn mijn vrienden, roept hij altijd als mensen er naar vragen. Dat antwoord heeft hij eens bedacht om niet zielig gevonden te worden. Met de loop der tijd heeft hij ook genegenheid opgevat voor zijn stalker. Maar echt vrienden, zo zou hij het niet durven noemen.
Vroeger was hij een rebel. Hij reisde naar Berlijn om met vrouwen uit de kroeg sterren te kijken. Nu hij als levensdoel heeft opgevat om gehandicapten leuke uitjes te bezorgen is dat voorbij. Hij vergadert veel. Over de vereiste bescherming bij glijbanen. Of over leuke huisjes met een zwembad op de Veluwe. Hij doet de financien, dus hij is meestal tegen te veel poespas. De gehandicapten zijn belangrijker dan zijn rebel-zijn. Dat zegt hij ook altijd tegen de stagiare: het gaat om het geluk van de gehandicapten.
Zij zegt dan: I agree.
Ze is Nederlands, maar ze is een van de mensen die de Engelse taal overschat, denkt Menno dan. Dat vindt hij een vervelende eigenschap maar van zijn stagiaire kan hij het hebben.
Je hebt tegenwoordig weinig te kiezen, qua stagiaires. Tolerantie is een belangrijk goed. De stagiaire heeft overigens mooie borsten. Borsten die eruit zien alsof ze omhoog gaan. Zoals je benen omhoog gaan als je naar beneden raast in een kermisattractie, zo vertelde hij eens aan zijn stalker. Zijn stagiaire brengt licht in zijn leven, zo ziet hij het.
Vorige week heeft hij haar nog een fles wijn gegeven. Op het briefje schreef hij: omdat je mijn leven oplicht.
Hij weet niet of ze het leuk vond.
2.
Vroeger wilde Marianne kapper worden. Daarna dacht ze een tijdje dat ze de ontwikkelingshulp inwilde. Ze schonk alle kleren die ze niet meer mooi vond aan Humanitas. Nog steeds gaat ze rechtop zitten als er een ontwikkelingsland op tv is. Misschien ziet ze een zwarte moeder rondlopen in haar G-star vest.
Uiteindelijk ging ze SPH studeren in Nijmegen. De zorgverlening wilde ze in. Ze heeft geen spijt van haar keuze, ook de feestjes in Nijmegen vindt ze leuk. En vanuit haar flat heeft ze een uitkijk over de stad. ’s Avonds kijkt ze graag naar de mensen die ergens naar op weg zijn. Zij is niet zo vaak ergens naar op weg.
Marianne heeft een grote liefde aan de andere kant van het land. Hij vindt haar ‘wel oké.’ Soms reist ze naar hem toe om hem te verrassen. Met chocoladetaarten of een gedicht. Ze vindt dat hij te veel in haar hoofd zit.
Deze ochtend zit ze al vroeg op haar stageplek. Op de muur hangen twee verkreukte foto’s van kinderen die ondertussen twee keer zo oud zijn geworden. Dat weet ze omdat haar kantoorgenote veel over ze praat. Op de foto’s likken ze aan een veel te groot ijsje. Het is stil op het werk. Uit de aangrenzende kamer klinkt het getyp van Menno. Vorige week had ze een fles wijn van hem gevonden op haar plek. Het was al de derde sinds ze hier zat.
Toen ze de eerste fles wijn kreeg wist ze niet wie het was, Menno. Nu weet ze het wel: het is de man die er uit ziet alsof hij niet begrijpt wat het allemaal betekent. De notities op het prikbord. Scheefliggende tegels op de stoep. Marianne vond zelfs dat hij het type was wat verbaasd naar een gevallen oude vrouw zou kijken, niet begrijpende wat hij geacht werd te doen. Ze hoorde van haar kantoorgenote dat hij de financien heel goed doet. Een aanwinst, werd hij genoemd.
Na de tweede fles wijn was ze eens met hem gaan praten. Communicatie op de werkvloer, zo leerde ze bij SPH, was heel belangrijk. Het was een onbelangrijk gesprek. Over het geluk van de gehandicapten. Toch had ze het erna nog een paar keer gedaan. Ze had wel gezien dat hij niet veel had met zijn collega’s. Daarom wees ze hem er ook eens op dat zijn stropdas scheef zat. En is ze één keer iets met hem gaan drinken. Na afloop betaalden ze allebei hun eigen drankje.
Nu staat Menno in de deuropening. Hij kucht even.
-Wat denk je, vraagt hij. Willen gehandicapten liever glijden of doen ze een parcours?
-Ligt aan de gehandicapte, antwoordt Marianne. Vraag het hun begeleiders. Of vraag het ze zelf. Ben je trouwens naar de kapper geweest?
Menno tast afwezig naar zijn hoofd.
- O, dat, zegt hij. Ik ga voor het parcours. Wil je vanavond bij mij eten? Ik heb verse paprika’s.
Marianne weet niet wat ze met de aanvulling over paprika’s moet. Bij haar weten zijn verse paprika’s geen reden om iemand uit te nodigen. Ze houdt ook helemaal niet van paprika’s.
Menno kucht nog een keer. Hij loopt het kantoortje in en gaat op haar bureau zitten.
-Het zou gezellig kunnen zijn. Je zou me dingen over je leven kunnen vertellen. Soms word ik gebeld tijdens het eten, maar dan neem ik gewoon niet op, mompelt hij.
-we moeten het maar beter niet doen, zegt Marianne. Menno kijkt haar aan alsof ze een vlieg is die van zijn schouder moet vliegen. Na een korte stilte wrijft hij in zijn ogen.
-Oke, zegt hij. Dat moesten we dus maar niet doen. Hij kijkt haar recht in haar ogen. Ongemakkelijk wordt ze er van. Achteruit loopt hij de kamer weer uit.
-Dat moesten we dus maar niet doen, roept hij nog een keer. Een minuut later wordt het getyp op zijn kamer hervat.
3.
Menno zag eens een man op TV die naakt in een bak met ijs kon zitten. Terwijl hij daar in zat vertelde hij dat hij de totale controle over zijn lichaamstemperatuur had. Met zijn hersenen. Menno denkt dat het hele leven een bak met ijs is.
Op dit moment heeft hij de controle over zijn lichaamstemperatuur aardig weten te behouden. Maar als hij even niet oplet ziet hij de borsten van Marianne terwijl ze zegt dat ze niet wil afspreken. Ze deinsden er een beetje bij.
Aan het eind van de dag loopt hij nog even naar Mariannes kamer. Haar kantoorgenote doet een spelletje op haar iPhone. Af en toe hoor je een vrolijk bliepje. Of eigenlijk is het meer een tingeltje. Hij loopt naar Marianne toe en drukt zijn lippen voor ze het doorheeft op de hare. Hij beweegt zijn lichaam zo dat haar borsten één moment tegen zijn borst drukken. Voordat ze heeft kunnen reageren loopt hij weg. De ogen van haar kantoorgenote zijn op hem gericht, de iPhone bliept onophoudelijk.
Menno besluit dat het tijd is voor nummerherkenning op zijn telefoon.
4.
Marianne wil een andere stageplek. Ze wil eigenlijk een andere opleiding. Iets met ontwikkelingshulp. Of misschien toch kapster. De zorg, dat is echt niets voor haar.
5.
-Ben je mijn vriend? Zegt Menno, ben je mijn vriend? Ik kan je dit toch vertellen. De borsten van mijn stagiaire winden me op. Ik heb ze vandaag gevoeld. Ze voelden zoals een goede huzarensalade, net uit de vriezer. De wereld is een bak met ijs, mijn beste stalker. Ik denk dat jij dat ook vindt. En vanaf vandaag heb ik nummerherkenning. Ik denk dat ik zo maar eens bij je op bezoek ga. Je woont zo te zien helemaal niet ver weg. Ik ga bij je op bezoek omdat ik nu wel eens wil zien wie je bent.
De stalker heeft opgehangen. Terwijl de pieptoon klinkt in het oor van Menno praat hij door.
-ik werk al mijn hele leven met gehandicapten. Ik heb bedacht dat ik dat wilde tijdens het kijken naar de sterren in Berlijn. Ken je Berlijn, beste stalker? In Berlijn woont iedereen samen. Het is eigenlijk één grote gemeenschap. In Berlijn zouden ze niet moeilijk doen over een dinertje. In Berlijn zijn ze dol op paprika.
Menno tikt het telefoonnummer van zijn stalker in bij Google.
-Ik denk dat ik zo maar even langskom. Het heeft nu lang genoeg geduurd. Bovendien moet ik mijn verse paprika toch aan iemand kwijt. O, weet je wat ik je nog wilde vertellen? Het gaat over Marianne, mijn stagiaire. Op het moment dat ik haar borsten tegen me aan voelde wist ik dat ik nummerherkenning wilde. Ik dacht aan jou, stalker.
Menno legt de hoorn neer en stopt langzaam de paprika in een plastic zakje. Als laatste zoekt hij een scherp mes. Gehele paprika’s kan niemand eten, mompelt hij. Er moet gesneden worden.
Langzaam loopt hij de trap af.