Menno heeft een stalker. Een beschaafde nette stalker. Hij vindt het soms bijna een geruststelling, de ademhaling van de stalker in z’n oor. Soms is het fijn te vertellen waar hij zoal mee bezig is. De stalker is een luisterend oor.
Het is goed om gestalkt te worden, zo denkt Menno erover. Het hoort erbij, zegt hij. Net als stickertjes op appels. Je kunt er wel een probleem van gaan maken, maar je weet toch al dat er niemand is die denkt: ik ga er mijn levensdoel van maken. Ik laat alles uit mijn handen vallen om ervoor te zorgen dat de appelstickertjes van de aardbodem verdwijnen. Net als stalkers. Zo erg zijn ze niet.
Menno probeert zijn stalker te begrijpen.
- Dag meneer, heeft Menno wel eens gezegd. Verveelt u zich misschien. Dat u me zo vaak belt. Verwacht u dat we op een dag vrienden zullen zijn?
Aan vrienden heb je nooit gebrek, is zijn opgewekte levensvisie. Ook niet aan vrienden die een verleden hebben als stalker. Hij denkt dat stalkers heel aardige mensen zijn. De eenzaamheid drijft ze tot rare dingen.
Zijn stalker antwoordt nooit.
-Tot mijn spijt kan ik niet de hele avond naar uw ademhaling luisteren, zei Menno op een dag. Ik snap dat u daar plezier in heeft, maar ik heb simpelweg de tijd niet. Een andere keer misschien.
Dat laatste zei hij uit pure beleefdheid. Maar hij meende het ergens wel. Beleefdheid kan ook oprecht zijn. Menno weet niet of het de stalker uitmaakt. Dat hij beleefd tegen hem is. Je weet niet wat voor dingen zo’n stalker al naar z’n kop geslingerd heeft gekregen. Hij woont in een nette buurt. Dus als de stalker Menno’s segment van het telefoonboek gebruikt zal het allemaal wel meevallen.
Menno woont klein. Een kamer in Tilburg. Voor een man van veertig is het ongewoon maar vrienden heeft hij toch niet. Wijn en literatuur zijn mijn vrienden, roept hij altijd als mensen er naar vragen. Dat antwoord heeft hij eens bedacht om niet zielig gevonden te worden. Met de loop der tijd heeft hij ook genegenheid opgevat voor zijn stalker. Maar echt vrienden, zo zou hij het niet durven noemen.
Vroeger was hij een rebel. Hij reisde naar Berlijn om met vrouwen uit de kroeg sterren te kijken. Nu hij als levensdoel heeft opgevat om gehandicapten leuke uitjes te bezorgen is dat voorbij. Hij vergadert veel. Over de vereiste bescherming bij glijbanen. Of over leuke huisjes met een zwembad op de Veluwe. Hij doet de financien, dus hij is meestal tegen te veel poespas. De gehandicapten zijn belangrijker dan zijn rebel-zijn. Dat zegt hij ook altijd tegen de stagiare: het gaat om het geluk van de gehandicapten.
Zij zegt dan: I agree.
Ze is Nederlands, maar ze is een van de mensen die de Engelse taal overschat, denkt Menno dan. Dat vindt hij een vervelende eigenschap maar van zijn stagiaire kan hij het hebben.
Je hebt tegenwoordig weinig te kiezen, qua stagiaires. Tolerantie is een belangrijk goed. De stagiaire heeft overigens mooie borsten. Borsten die eruit zien alsof ze omhoog gaan. Zoals je benen omhoog gaan als je naar beneden raast in een kermisattractie, zo vertelde hij eens aan zijn stalker. Zijn stagiaire brengt licht in zijn leven, zo ziet hij het.
Vorige week heeft hij haar nog een fles wijn gegeven. Op het briefje schreef hij: omdat je mijn leven oplicht.
Hij weet niet of ze het leuk vond.
2.
Vroeger wilde Marianne kapper worden. Daarna dacht ze een tijdje dat ze de ontwikkelingshulp inwilde. Ze schonk alle kleren die ze niet meer mooi vond aan Humanitas. Nog steeds gaat ze rechtop zitten als er een ontwikkelingsland op tv is. Misschien ziet ze een zwarte moeder rondlopen in haar G-star vest.
Uiteindelijk ging ze SPH studeren in Nijmegen. De zorgverlening wilde ze in. Ze heeft geen spijt van haar keuze, ook de feestjes in Nijmegen vindt ze leuk. En vanuit haar flat heeft ze een uitkijk over de stad. ’s Avonds kijkt ze graag naar de mensen die ergens naar op weg zijn. Zij is niet zo vaak ergens naar op weg.
Marianne heeft een grote liefde aan de andere kant van het land. Hij vindt haar ‘wel oké.’ Soms reist ze naar hem toe om hem te verrassen. Met chocoladetaarten of een gedicht. Ze vindt dat hij te veel in haar hoofd zit.
Deze ochtend zit ze al vroeg op haar stageplek. Op de muur hangen twee verkreukte foto’s van kinderen die ondertussen twee keer zo oud zijn geworden. Dat weet ze omdat haar kantoorgenote veel over ze praat. Op de foto’s likken ze aan een veel te groot ijsje. Het is stil op het werk. Uit de aangrenzende kamer klinkt het getyp van Menno. Vorige week had ze een fles wijn van hem gevonden op haar plek. Het was al de derde sinds ze hier zat.
Toen ze de eerste fles wijn kreeg wist ze niet wie het was, Menno. Nu weet ze het wel: het is de man die er uit ziet alsof hij niet begrijpt wat het allemaal betekent. De notities op het prikbord. Scheefliggende tegels op de stoep. Marianne vond zelfs dat hij het type was wat verbaasd naar een gevallen oude vrouw zou kijken, niet begrijpende wat hij geacht werd te doen. Ze hoorde van haar kantoorgenote dat hij de financien heel goed doet. Een aanwinst, werd hij genoemd.
Na de tweede fles wijn was ze eens met hem gaan praten. Communicatie op de werkvloer, zo leerde ze bij SPH, was heel belangrijk. Het was een onbelangrijk gesprek. Over het geluk van de gehandicapten. Toch had ze het erna nog een paar keer gedaan. Ze had wel gezien dat hij niet veel had met zijn collega’s. Daarom wees ze hem er ook eens op dat zijn stropdas scheef zat. En is ze één keer iets met hem gaan drinken. Na afloop betaalden ze allebei hun eigen drankje.
Nu staat Menno in de deuropening. Hij kucht even.
-Wat denk je, vraagt hij. Willen gehandicapten liever glijden of doen ze een parcours?
-Ligt aan de gehandicapte, antwoordt Marianne. Vraag het hun begeleiders. Of vraag het ze zelf. Ben je trouwens naar de kapper geweest?
Menno tast afwezig naar zijn hoofd.
- O, dat, zegt hij. Ik ga voor het parcours. Wil je vanavond bij mij eten? Ik heb verse paprika’s.
Marianne weet niet wat ze met de aanvulling over paprika’s moet. Bij haar weten zijn verse paprika’s geen reden om iemand uit te nodigen. Ze houdt ook helemaal niet van paprika’s.
Menno kucht nog een keer. Hij loopt het kantoortje in en gaat op haar bureau zitten.
-Het zou gezellig kunnen zijn. Je zou me dingen over je leven kunnen vertellen. Soms word ik gebeld tijdens het eten, maar dan neem ik gewoon niet op, mompelt hij.
-we moeten het maar beter niet doen, zegt Marianne. Menno kijkt haar aan alsof ze een vlieg is die van zijn schouder moet vliegen. Na een korte stilte wrijft hij in zijn ogen.
-Oke, zegt hij. Dat moesten we dus maar niet doen. Hij kijkt haar recht in haar ogen. Ongemakkelijk wordt ze er van. Achteruit loopt hij de kamer weer uit.
-Dat moesten we dus maar niet doen, roept hij nog een keer. Een minuut later wordt het getyp op zijn kamer hervat.
3.
Menno zag eens een man op TV die naakt in een bak met ijs kon zitten. Terwijl hij daar in zat vertelde hij dat hij de totale controle over zijn lichaamstemperatuur had. Met zijn hersenen. Menno denkt dat het hele leven een bak met ijs is.
Op dit moment heeft hij de controle over zijn lichaamstemperatuur aardig weten te behouden. Maar als hij even niet oplet ziet hij de borsten van Marianne terwijl ze zegt dat ze niet wil afspreken. Ze deinsden er een beetje bij.
Aan het eind van de dag loopt hij nog even naar Mariannes kamer. Haar kantoorgenote doet een spelletje op haar iPhone. Af en toe hoor je een vrolijk bliepje. Of eigenlijk is het meer een tingeltje. Hij loopt naar Marianne toe en drukt zijn lippen voor ze het doorheeft op de hare. Hij beweegt zijn lichaam zo dat haar borsten één moment tegen zijn borst drukken. Voordat ze heeft kunnen reageren loopt hij weg. De ogen van haar kantoorgenote zijn op hem gericht, de iPhone bliept onophoudelijk.
Menno besluit dat het tijd is voor nummerherkenning op zijn telefoon.
4.
Marianne wil een andere stageplek. Ze wil eigenlijk een andere opleiding. Iets met ontwikkelingshulp. Of misschien toch kapster. De zorg, dat is echt niets voor haar.
5.
-Ben je mijn vriend? Zegt Menno, ben je mijn vriend? Ik kan je dit toch vertellen. De borsten van mijn stagiaire winden me op. Ik heb ze vandaag gevoeld. Ze voelden zoals een goede huzarensalade, net uit de vriezer. De wereld is een bak met ijs, mijn beste stalker. Ik denk dat jij dat ook vindt. En vanaf vandaag heb ik nummerherkenning. Ik denk dat ik zo maar eens bij je op bezoek ga. Je woont zo te zien helemaal niet ver weg. Ik ga bij je op bezoek omdat ik nu wel eens wil zien wie je bent.
De stalker heeft opgehangen. Terwijl de pieptoon klinkt in het oor van Menno praat hij door.
-ik werk al mijn hele leven met gehandicapten. Ik heb bedacht dat ik dat wilde tijdens het kijken naar de sterren in Berlijn. Ken je Berlijn, beste stalker? In Berlijn woont iedereen samen. Het is eigenlijk één grote gemeenschap. In Berlijn zouden ze niet moeilijk doen over een dinertje. In Berlijn zijn ze dol op paprika.
Menno tikt het telefoonnummer van zijn stalker in bij Google.
-Ik denk dat ik zo maar even langskom. Het heeft nu lang genoeg geduurd. Bovendien moet ik mijn verse paprika toch aan iemand kwijt. O, weet je wat ik je nog wilde vertellen? Het gaat over Marianne, mijn stagiaire. Op het moment dat ik haar borsten tegen me aan voelde wist ik dat ik nummerherkenning wilde. Ik dacht aan jou, stalker.
Menno legt de hoorn neer en stopt langzaam de paprika in een plastic zakje. Als laatste zoekt hij een scherp mes. Gehele paprika’s kan niemand eten, mompelt hij. Er moet gesneden worden.
Langzaam loopt hij de trap af.
Waar je gevallen bent, blijf je.
In het hele universum is dit je plaats.
Alleen maar deze ene plek.
Maar die heb je helemaal van jezelf gemaakt.
JÁNOS PILINSZKY (1921-1981)
In het hele universum is dit je plaats.
Alleen maar deze ene plek.
Maar die heb je helemaal van jezelf gemaakt.
JÁNOS PILINSZKY (1921-1981)
Posts tonen met het label proza. Alle posts tonen
Posts tonen met het label proza. Alle posts tonen
20110226
20100829
Toevalsmuziek
Een jongen die mij jarenlang elke avond belde, ik zal hem Tulp noemen, vertelde me een verhaal over de man van de muziekwinkel. Een man met een kleine muziekwinkel was het, die veel oude jazzplaten op vinyl verkocht. Van zulke mannen zijn er veel. Ik poets even mijn tanden, zei Tulp, terwijl ik nog bezig was, zoals altijd met fantasievolle woorden, in mijn hoofd de letters vinyl rond te draaien –eerst een i, dan een y- .
Voor hij verder vertelde over de man van de muziekwinkel bekende ik hem dat ik ’s avonds heel vaak mijn tanden niet poets.
Hij bekende op zijn beurt dat hij heel vaak ’s ochtends zijn tanden niet poetst. Hij overtuigde me bijna meteen van zijn gelijk. Schetste een beeld van de chips en de rijst en de appeltaart die in de nacht de verschrikkelijkste rottingsprocessen doormaken in je mond. Ik huiverde zelfs even, herinner ik me, een rilling die door me heen trok terwijl ik zei: ‘ik huiver nu.’
Toch poetste ik daarna nog steeds alleen ’s ochtends mijn tanden.
Tulp vertelde verder, de kleine grijzende man van de muziekwinkel. Naast zijn winkel zaten, bij mooi weer, altijd veel mensen. Bijzondere, jonge mensen met alternatieve kleding, gitaren en fluiten. De man van de muziekwinkel hielp ze bij hun droom. Muziek maken.
Tulp zei dat muziek maken bijna net zoiets is als een huis bouwen. Daarom zegt ook niemand: muziek spelen, zei hij, want het gaat niet om het spelen. Muziek zet je neer. Je graaft eerst een gat voor de fundamenten zei hij. En je hijst een vlag als het hoogste punt is bereikt. Het is belangrijk te zorgen voor een goede aannemer. Zodat je na een tijd kunt zeggen dat je muziek is gemaakt.
Naar echt goede muziek kun je wijzen, zei Tulp. Dan kun je zeggen: kijk, daar. Echt goede muziek speelt door als de gitaren weer in hun dozen zitten.
Dat soort dingen leerde Tulp me, altijd als hij een verhaal vertelde.
Hij had zelf ook muziek gemaakt, dat wist ik al. Op een dag wilde hij weten hoe het was om straatmuzikant te zijn. Straatmuzikanten zijn zelf muziek, zei hij toen. Ze zijn meer muziek dan hun gitaar. Gitaren zijn alleen maar muzikaal. Ik confronteerde hem niet met deze uitspraak. Dat deed ik nooit, ik luisterde. Toen hij straatmuzikant was schreef hij zijn eigen lied. Vrouw op zomerschoenen heette het. Over dat blaren onlosmakelijk bij de zomer hoorden. En pleisters in damestasjes. Bij mijn weten was hij nooit met een vrouw geweest. En ik praatte tegen hem nooit over schoenen of blaren.
Tulp hield weer op straatmuzikant zijn toen een uitgever hem benaderde. Die zei hem dat hij het talent van Tulp zag in zijn teksten. Tulp wilde geen literair talent zijn maar een muzikaal talent op dat moment. Hij werd boos en gaf zijn gitaar aan een voorbijganger. Later zei hij dat hij het teleurstellend vond dat uitgevers ook langs de Hema lopen en stilstaan bij straatmuzikanten.
De man van de muziekwinkel had een studio gemaakt in zijn inloopkast. Volgens Tulp was het de kleinste studio van de wereld. Maar, zei hij, als Jimi Hendrix op zijn veertiende zo’n studio had gehad, was hij misschien wel twee jaar eerder bekend geworden. Dat soort dingen sprak de jonge mensen aan. Dat wist de man van de muziekwinkel. Hij hielp ze. Wees ze aan hoe ze het beste de knoppen konden gebruiken. Het was zo donker in die inloopkast dat alle gezichten rood en groen oplichtten van de knopjes en hun lichtjes.
Ook dat was muziek, zei Tulp. Met die knoppen maakten ze hun muziek, zei Tulp. Bij hun was het hoofdinstrument de man van de muziekwinkel. Hij legde hun cd’s ook altijd in zijn winkel.
Niemand wist hoe die man heette. Niemand wist ook wat hem bewoog, want hij leek nooit ergens van te genieten. Het was niet zo dat hij van jonge mensen hield. Of van muziek.
Even was het stil. En toen? vroeg ik. Toen niets, zei Tulp. Op een dag bleven de luiken van zijn winkel dicht. Het werd winter. De jonge mensen vertrokken. Hij was dood, denk ik.
Ook die man is muziek, zei Tulp, net als bepaalde schilderijen. De boeken van Knut Hamsun, zei Tulp. Ik kende ze niet. Ook dat is muziek, zei Tulp.
Omdat je niet weet waarom alles er zo mooi in is. En als je door gaat met kijken, of luisteren, of lezen, dan bedenk je ineens dat al die mensen die erachter zitten geen bankemployee of chirurg zijn geworden zodat wij van hun schilderijen, of boeken, of muziek kunnen genieten.
Het is bijzonder dat mensen dat voor elkaar doen, zei Tulp, vlak voor hij ophing. Later bleek het de laatste keer te zijn dat ik hem sprak. Daarom heb ik juist dit verhaal onthouden, en veel minder de verhalen over kamperen, zwemmen en papier. Hij wist waar al die dingen vandaan kwamen. En waarom we ze hebben bedacht.
Hij zei me, de laatste keer dat hij me belde, dat ik veel naar toevalsmuziek moest luisteren. ‘Luister veel naar toevalsmuziek,’ zei hij.’ Misschien kun jij er dan achter komen waarom het mij pijn doet als jij pijn hebt. Ik denk dat we dat in de toevalshoek moeten vinden.’
De avond erna belde hij niet. En de avond daarna ook niet. Langzaam hield ik op met wachten. Ik vond een hoofdband van hem, op de weg van mijn huis naar het zijne. Die band, besloot ik, is de eerste noot van de toevalsmuziek van Tulp. Ik voelde dat hij niet meer leefde. Ik wist veel niet van hem, ik wist niet waarom hij wilde dat ik hem voor het gemak Tulp noemde. En waarom hij zo graag wilde weten wie er achter de dood zat. ‘Er zit iemand achter de dood die geen bankemployee of chirurg is geworden en ik wil weten of hij dat erg vindt.’ Dat zei Tulp. Waarom hij dat alles wilde weten, dat weet ik niet. Het is wel de reden waarom hij dood is.
En, zou Tulp zeggen, de reden waarom ik nog leef.
Voor hij verder vertelde over de man van de muziekwinkel bekende ik hem dat ik ’s avonds heel vaak mijn tanden niet poets.
Hij bekende op zijn beurt dat hij heel vaak ’s ochtends zijn tanden niet poetst. Hij overtuigde me bijna meteen van zijn gelijk. Schetste een beeld van de chips en de rijst en de appeltaart die in de nacht de verschrikkelijkste rottingsprocessen doormaken in je mond. Ik huiverde zelfs even, herinner ik me, een rilling die door me heen trok terwijl ik zei: ‘ik huiver nu.’
Toch poetste ik daarna nog steeds alleen ’s ochtends mijn tanden.
Tulp vertelde verder, de kleine grijzende man van de muziekwinkel. Naast zijn winkel zaten, bij mooi weer, altijd veel mensen. Bijzondere, jonge mensen met alternatieve kleding, gitaren en fluiten. De man van de muziekwinkel hielp ze bij hun droom. Muziek maken.
Tulp zei dat muziek maken bijna net zoiets is als een huis bouwen. Daarom zegt ook niemand: muziek spelen, zei hij, want het gaat niet om het spelen. Muziek zet je neer. Je graaft eerst een gat voor de fundamenten zei hij. En je hijst een vlag als het hoogste punt is bereikt. Het is belangrijk te zorgen voor een goede aannemer. Zodat je na een tijd kunt zeggen dat je muziek is gemaakt.
Naar echt goede muziek kun je wijzen, zei Tulp. Dan kun je zeggen: kijk, daar. Echt goede muziek speelt door als de gitaren weer in hun dozen zitten.
Dat soort dingen leerde Tulp me, altijd als hij een verhaal vertelde.
Hij had zelf ook muziek gemaakt, dat wist ik al. Op een dag wilde hij weten hoe het was om straatmuzikant te zijn. Straatmuzikanten zijn zelf muziek, zei hij toen. Ze zijn meer muziek dan hun gitaar. Gitaren zijn alleen maar muzikaal. Ik confronteerde hem niet met deze uitspraak. Dat deed ik nooit, ik luisterde. Toen hij straatmuzikant was schreef hij zijn eigen lied. Vrouw op zomerschoenen heette het. Over dat blaren onlosmakelijk bij de zomer hoorden. En pleisters in damestasjes. Bij mijn weten was hij nooit met een vrouw geweest. En ik praatte tegen hem nooit over schoenen of blaren.
Tulp hield weer op straatmuzikant zijn toen een uitgever hem benaderde. Die zei hem dat hij het talent van Tulp zag in zijn teksten. Tulp wilde geen literair talent zijn maar een muzikaal talent op dat moment. Hij werd boos en gaf zijn gitaar aan een voorbijganger. Later zei hij dat hij het teleurstellend vond dat uitgevers ook langs de Hema lopen en stilstaan bij straatmuzikanten.
De man van de muziekwinkel had een studio gemaakt in zijn inloopkast. Volgens Tulp was het de kleinste studio van de wereld. Maar, zei hij, als Jimi Hendrix op zijn veertiende zo’n studio had gehad, was hij misschien wel twee jaar eerder bekend geworden. Dat soort dingen sprak de jonge mensen aan. Dat wist de man van de muziekwinkel. Hij hielp ze. Wees ze aan hoe ze het beste de knoppen konden gebruiken. Het was zo donker in die inloopkast dat alle gezichten rood en groen oplichtten van de knopjes en hun lichtjes.
Ook dat was muziek, zei Tulp. Met die knoppen maakten ze hun muziek, zei Tulp. Bij hun was het hoofdinstrument de man van de muziekwinkel. Hij legde hun cd’s ook altijd in zijn winkel.
Niemand wist hoe die man heette. Niemand wist ook wat hem bewoog, want hij leek nooit ergens van te genieten. Het was niet zo dat hij van jonge mensen hield. Of van muziek.
Even was het stil. En toen? vroeg ik. Toen niets, zei Tulp. Op een dag bleven de luiken van zijn winkel dicht. Het werd winter. De jonge mensen vertrokken. Hij was dood, denk ik.
Ook die man is muziek, zei Tulp, net als bepaalde schilderijen. De boeken van Knut Hamsun, zei Tulp. Ik kende ze niet. Ook dat is muziek, zei Tulp.
Omdat je niet weet waarom alles er zo mooi in is. En als je door gaat met kijken, of luisteren, of lezen, dan bedenk je ineens dat al die mensen die erachter zitten geen bankemployee of chirurg zijn geworden zodat wij van hun schilderijen, of boeken, of muziek kunnen genieten.
Het is bijzonder dat mensen dat voor elkaar doen, zei Tulp, vlak voor hij ophing. Later bleek het de laatste keer te zijn dat ik hem sprak. Daarom heb ik juist dit verhaal onthouden, en veel minder de verhalen over kamperen, zwemmen en papier. Hij wist waar al die dingen vandaan kwamen. En waarom we ze hebben bedacht.
Hij zei me, de laatste keer dat hij me belde, dat ik veel naar toevalsmuziek moest luisteren. ‘Luister veel naar toevalsmuziek,’ zei hij.’ Misschien kun jij er dan achter komen waarom het mij pijn doet als jij pijn hebt. Ik denk dat we dat in de toevalshoek moeten vinden.’
De avond erna belde hij niet. En de avond daarna ook niet. Langzaam hield ik op met wachten. Ik vond een hoofdband van hem, op de weg van mijn huis naar het zijne. Die band, besloot ik, is de eerste noot van de toevalsmuziek van Tulp. Ik voelde dat hij niet meer leefde. Ik wist veel niet van hem, ik wist niet waarom hij wilde dat ik hem voor het gemak Tulp noemde. En waarom hij zo graag wilde weten wie er achter de dood zat. ‘Er zit iemand achter de dood die geen bankemployee of chirurg is geworden en ik wil weten of hij dat erg vindt.’ Dat zei Tulp. Waarom hij dat alles wilde weten, dat weet ik niet. Het is wel de reden waarom hij dood is.
En, zou Tulp zeggen, de reden waarom ik nog leef.
20091125
Deadlines
Will you take me as your mistress?
Long and dark hair.
Will you cut it off when it is useless?
-Inara George.
De tijd verdwijnt niet, hij tikt simpelweg door.
Neem je me mee? Dat vroeg mijn minnares toen we bijna beseften dat de meeste lijnen nooit of pas na heel lang elkaar zullen snijden. We dachten dat we het avontuur roken.
Ik nam haar mee, om te ontdekken wat er zou gebeuren. Bovendien kun je bepaalde verzoeken niet weigeren.
Ik noemde haar graag minnares, hoewel mijn vriendin al was vertrokken.
(Dat vertrek was allesbehalve drama. Ze nam me mee naar Café en daar zei ze dat ze wilde praten. Ze hield het kort en vertrok.)
Jou neem ik mee, zei ik. We gingen met de auto.
We zeiden weinig tegen elkaar, en hoe wel mijn blik vooral op de weg was gericht herinner ik me nog levendig hoe haar mond zich om de sigaret sloot. Ze kneep steeds even venijnig met haar lippen waardoor het einde van de sigaret rood oplichtte. Ik staarde er naar.
Ze vroeg niet waarnaar ik keek. Ze keek naar de witte streep op de weg.
Een fijne streep, zei ze.
Ik knikte, hoewel ze geen rijbewijs had en achter het stuur elke streep hetzelfde is. Een doodslijn. Eentje die je niet wilt zien.
Je bent mijn minnares, zei ik liefdevol. Ik speelde met haar haren. Met mijn gevoelens hoefde ze zich niet bezig te houden.
Ze kende haar plaats. Ze hield haar mond. Even twijfelde ik of ik haar zou vertrouwen.
Ik dacht aan de vrouw die met weinig woorden van me vertrok. De minnares mocht niet met evenveel woorden strijden. Dat zou niet ethisch zijn.
Wanneer neem je me nou echt mee, vroeg ze toen we aankwamen. We liepen het buffet. Ze schepte appelmoes over haar bruine bonen (want over alles waar gehakt in zit, moet appelmoes).
Mijn vorige vriend bezorgde de krant, zei ze.
Die ging nooit ver om me mee te nemen.
Ik was in feite overal.
Ik zweeg en knikte. Toen kuste ik haar in haar nek, achter haar oor. Ik ken jouw plaats, zei ik.
Ik probeerde te bedenken hoe ik het mooi kon maken. In feite hoefde ze nergens heen. Stilstand is vooruitgang.
Maar ik wilde niet pathetisch zijn.
Misschien kun je je betere vrienden bedenken, zei ik.
Transparante vrienden zijn niet verkeerd.
Fantaseer, het mag ook erotisch.
Vertrek maar niet, ik ben je verre buur.
’s Avonds kroop ze onder mijn arm. Je woorden troosten niet, zei ze.
Ik trok de dekens over me heen.
Zie ‘t als een sex-upgrade, zei ik.
Morgen gaan we naar huis.
Dat deden we niet, zoals het hoort om tegengesteld te leven. We bekeken wat kastelen en een opera van Puccini.
’s Avonds wierp ze zich in mijn armen, zuchtend, zoenend. Zonder woorden maar het had wel wat.
Na afloop zei ze: we hebben seks tegen de dood. Misschien winnen we wel.
Niemand sterft zoals hij heeft geleefd,
Morgen gaan we naar huis, zei ik.
In de auto terug had ze gekookte eieren. Langzaam pelde ze een ei af, terwijl ze probeerde te formuleren wie ik was.
Je bent mijn lievelingsmens, zei ze, terwijl ze de stukjes schaal in de asbak legde.
Of ja, je staat hoog in de lijst van favoriete mensen.
Langzaam kwam er meer tevoorschijn van het springerige ei. Ook de mayonaise toverde ze uit haar zak.
Eigenlijk ken ik je niet, zei ze terwijl ze het ei in twee happen verorberde. Ze spoot mayonaise in haar mond.
Ik wil een boek schrijven, dat mag je wel weten, zei ze.
Ik wilde wel haar bladzijdes zijn, bedacht ik terwijl ik naar de slanke vingers keek, aan de welvingen in haar lichaam dacht, aan de dingen die ze zei als woorden er niet langer toededen, aan hoe haar grafsteen zou zijn als ze er niet meer was, hoe ze haar kauwgum uitspuugde.
Haar inkt mag overal indringen en de mensen mogen me lezen. Boeken kennen geen symptomen.
Ik ben verliefd op de passie, zei ik.
Ik denk maar aan één ding als jij mayonaise in je mond spuit.
Misschien moet je gaan zeilen of animatiefilms maken.
Misschien moet je dingen gaan leren inzien. Achter de bomen is alleen maar meer bos.
En als er geen bos is, is er wel iets anders.
Wij blijven zoals we zijn.
Je zal geen boek schrijven
en ik zal het niet kunnen aanzien.
Laten we nou gewoon beminnen.
De mensen die niet denken
die doen het beter.
We asfalteerden een heel leven.
Zou oneindigheid het begin zijn van een nieuwe dimensie?
Evenwijdige lijnen blijven altijd zij aan zij, zei ooit een vrouw die met een veel te kort rokje in een café zat. Ze zei het niet tegen mij. Het viel ook niet stil toen ze dat zei. Het was gewoon dat mijn oren zich dat aantrokken. Misschien snijden ze wel in een nieuwe dimensie, dat zei ooit een progressieve wiskundeleraar. Alles is relatief. Ik deel een rekening. Het kan me weinig schelen.
I have never seen the bottom
The bottom of the well.
Could you ever love a mistress?
It never feels the same.
Long and dark hair.
Will you cut it off when it is useless?
-Inara George.
De tijd verdwijnt niet, hij tikt simpelweg door.
Neem je me mee? Dat vroeg mijn minnares toen we bijna beseften dat de meeste lijnen nooit of pas na heel lang elkaar zullen snijden. We dachten dat we het avontuur roken.
Ik nam haar mee, om te ontdekken wat er zou gebeuren. Bovendien kun je bepaalde verzoeken niet weigeren.
Ik noemde haar graag minnares, hoewel mijn vriendin al was vertrokken.
(Dat vertrek was allesbehalve drama. Ze nam me mee naar Café en daar zei ze dat ze wilde praten. Ze hield het kort en vertrok.)
Jou neem ik mee, zei ik. We gingen met de auto.
We zeiden weinig tegen elkaar, en hoe wel mijn blik vooral op de weg was gericht herinner ik me nog levendig hoe haar mond zich om de sigaret sloot. Ze kneep steeds even venijnig met haar lippen waardoor het einde van de sigaret rood oplichtte. Ik staarde er naar.
Ze vroeg niet waarnaar ik keek. Ze keek naar de witte streep op de weg.
Een fijne streep, zei ze.
Ik knikte, hoewel ze geen rijbewijs had en achter het stuur elke streep hetzelfde is. Een doodslijn. Eentje die je niet wilt zien.
Je bent mijn minnares, zei ik liefdevol. Ik speelde met haar haren. Met mijn gevoelens hoefde ze zich niet bezig te houden.
Ze kende haar plaats. Ze hield haar mond. Even twijfelde ik of ik haar zou vertrouwen.
Ik dacht aan de vrouw die met weinig woorden van me vertrok. De minnares mocht niet met evenveel woorden strijden. Dat zou niet ethisch zijn.
Wanneer neem je me nou echt mee, vroeg ze toen we aankwamen. We liepen het buffet. Ze schepte appelmoes over haar bruine bonen (want over alles waar gehakt in zit, moet appelmoes).
Mijn vorige vriend bezorgde de krant, zei ze.
Die ging nooit ver om me mee te nemen.
Ik was in feite overal.
Ik zweeg en knikte. Toen kuste ik haar in haar nek, achter haar oor. Ik ken jouw plaats, zei ik.
Ik probeerde te bedenken hoe ik het mooi kon maken. In feite hoefde ze nergens heen. Stilstand is vooruitgang.
Maar ik wilde niet pathetisch zijn.
Misschien kun je je betere vrienden bedenken, zei ik.
Transparante vrienden zijn niet verkeerd.
Fantaseer, het mag ook erotisch.
Vertrek maar niet, ik ben je verre buur.
’s Avonds kroop ze onder mijn arm. Je woorden troosten niet, zei ze.
Ik trok de dekens over me heen.
Zie ‘t als een sex-upgrade, zei ik.
Morgen gaan we naar huis.
Dat deden we niet, zoals het hoort om tegengesteld te leven. We bekeken wat kastelen en een opera van Puccini.
’s Avonds wierp ze zich in mijn armen, zuchtend, zoenend. Zonder woorden maar het had wel wat.
Na afloop zei ze: we hebben seks tegen de dood. Misschien winnen we wel.
Niemand sterft zoals hij heeft geleefd,
Morgen gaan we naar huis, zei ik.
In de auto terug had ze gekookte eieren. Langzaam pelde ze een ei af, terwijl ze probeerde te formuleren wie ik was.
Je bent mijn lievelingsmens, zei ze, terwijl ze de stukjes schaal in de asbak legde.
Of ja, je staat hoog in de lijst van favoriete mensen.
Langzaam kwam er meer tevoorschijn van het springerige ei. Ook de mayonaise toverde ze uit haar zak.
Eigenlijk ken ik je niet, zei ze terwijl ze het ei in twee happen verorberde. Ze spoot mayonaise in haar mond.
Ik wil een boek schrijven, dat mag je wel weten, zei ze.
Ik wilde wel haar bladzijdes zijn, bedacht ik terwijl ik naar de slanke vingers keek, aan de welvingen in haar lichaam dacht, aan de dingen die ze zei als woorden er niet langer toededen, aan hoe haar grafsteen zou zijn als ze er niet meer was, hoe ze haar kauwgum uitspuugde.
Haar inkt mag overal indringen en de mensen mogen me lezen. Boeken kennen geen symptomen.
Ik ben verliefd op de passie, zei ik.
Ik denk maar aan één ding als jij mayonaise in je mond spuit.
Misschien moet je gaan zeilen of animatiefilms maken.
Misschien moet je dingen gaan leren inzien. Achter de bomen is alleen maar meer bos.
En als er geen bos is, is er wel iets anders.
Wij blijven zoals we zijn.
Je zal geen boek schrijven
en ik zal het niet kunnen aanzien.
Laten we nou gewoon beminnen.
De mensen die niet denken
die doen het beter.
We asfalteerden een heel leven.
Zou oneindigheid het begin zijn van een nieuwe dimensie?
Evenwijdige lijnen blijven altijd zij aan zij, zei ooit een vrouw die met een veel te kort rokje in een café zat. Ze zei het niet tegen mij. Het viel ook niet stil toen ze dat zei. Het was gewoon dat mijn oren zich dat aantrokken. Misschien snijden ze wel in een nieuwe dimensie, dat zei ooit een progressieve wiskundeleraar. Alles is relatief. Ik deel een rekening. Het kan me weinig schelen.
I have never seen the bottom
The bottom of the well.
Could you ever love a mistress?
It never feels the same.
20091116
zo maar een dag
de hoeveelste dag voor dat er iets gebeurd
wat er toe doet?
Anticonceptie smaakt zoet, ook al is de relatie uit.
Je hebt zijn aansteker nog, al is er geen vuur meer,
wat een symboliek, deernis-
wekkend.
Niemand is baanbrekend;
zelfs geboren worden en daaruit de jaartelling laten vloeien is passief.
Zoals leren, of jarig zijn.
De illusie dat het er toe doet:
over microkrediet praten voor een klas met toekomstige kapitalisten
voor een te vergane wereld.
Wees als de arme student met zijn aardappel.
Hij was hem kwijt.
Uiteindelijk ging hij vast boontjes doppen.
De aardappel kwam niet.
Je schrijft een gedicht over mensen die er niet bij horen;
ze passen niet onder de paraplu.
Je noemt het parapluriformiteit
en je denkt;
waarom doe ik dit
Dan proef je anticonceptie met een zoet laagje;
wie zou dat hebben bedacht;
brainstormend rond een tafel.
En je denkt aan de commercie. En dan
doe je uit wanhoop iets baanbrekends.
Meteen heb je er spijt van.
Als je het niemand verteld is het niet gebeurd.
Wat zijn nou ongenotuleerde gebeurtenissen
En zelf vergeet je het
je ziet jezelf trouwens terug;
als was het een film
-een nadelig effect van te veel films-
onder een tunneltje
wachtend tot alles weg was;
omdat je daar niet wilde zijn maar ook niet thuis;
hoe mensen met kapsels die niet geknipt kunnen zijn, maar eigenlijk ook niet zo maar ontstaan je aankijken alsof jij hier de gek bent.
Wat je dan misschien ook bent;
maar je hebt nog de gave jezelf te kunnen verrassen.
Met hun haar heb je die gave niet.
i think we can make ends meet
stuurde je
en eronder dacht je liefde
maar daar heb je het dus niet over,
want dat heb je niet gedaan.
wat er toe doet?
Anticonceptie smaakt zoet, ook al is de relatie uit.
Je hebt zijn aansteker nog, al is er geen vuur meer,
wat een symboliek, deernis-
wekkend.
Niemand is baanbrekend;
zelfs geboren worden en daaruit de jaartelling laten vloeien is passief.
Zoals leren, of jarig zijn.
De illusie dat het er toe doet:
over microkrediet praten voor een klas met toekomstige kapitalisten
voor een te vergane wereld.
Wees als de arme student met zijn aardappel.
Hij was hem kwijt.
Uiteindelijk ging hij vast boontjes doppen.
De aardappel kwam niet.
Je schrijft een gedicht over mensen die er niet bij horen;
ze passen niet onder de paraplu.
Je noemt het parapluriformiteit
en je denkt;
waarom doe ik dit
Dan proef je anticonceptie met een zoet laagje;
wie zou dat hebben bedacht;
brainstormend rond een tafel.
En je denkt aan de commercie. En dan
doe je uit wanhoop iets baanbrekends.
Meteen heb je er spijt van.
Als je het niemand verteld is het niet gebeurd.
Wat zijn nou ongenotuleerde gebeurtenissen
En zelf vergeet je het
je ziet jezelf trouwens terug;
als was het een film
-een nadelig effect van te veel films-
onder een tunneltje
wachtend tot alles weg was;
omdat je daar niet wilde zijn maar ook niet thuis;
hoe mensen met kapsels die niet geknipt kunnen zijn, maar eigenlijk ook niet zo maar ontstaan je aankijken alsof jij hier de gek bent.
Wat je dan misschien ook bent;
maar je hebt nog de gave jezelf te kunnen verrassen.
Met hun haar heb je die gave niet.
i think we can make ends meet
stuurde je
en eronder dacht je liefde
maar daar heb je het dus niet over,
want dat heb je niet gedaan.
20091013
Het is treurig te noemen.
Een introductie van Mario.
In deze wereld heerst het waanbeeld. Eigenlijk moest de zin langer, maar zo is hij ook wel goed. Schrijven is schrappen. Vandaar.
Mensen denken.
Ja zo kan hij wel weer. Mensen denken altijd iets.
In het geval van Mario denken ze dat iedereen gelijke kansen heeft. Als je, zoals Mario, in een rolstoel zit, dan weet je wel beter.
En dan kan je nog zo hard roepen.
Als je, zoals Mario in een rolstoel zit, dan is het bijvoorbeeld heel raar om te zeggen dat je van avontuur houdt. Dat is één van de logischer dingen die tot nu toe zijn opgeschreven maar toch wil niemand dat begrijpen.
Niet van mijn definitie van avontuur. In elk geval.
Als je in een rolstoel zit, dan ben je namelijk afhankelijk van andere mensen.
een kanttekening van Mario:
Er zijn superbliephightechno-rolstoelen met knopjes.
Dan ben je minder afhankelijk.
Maar dat kan je, als je Mario bent, niet betalen. Het is ook altijd hetzelfde valse liedje.
Heb je het gevoel dat je Mario al een beetje kent? Zo gemakkelijk gaat dat niet. Ik leef in de vaste overtuiging dat mensen zeggen dat ze de personages uit boeken kennen het bij het verkeerde eind hebben.
Letterlijk; want het eind van een boek is vaak niet het einde van het personage.
een kanttekening van Mario:
Tenzij het personage sterft.
De schrijver heeft de macht. Daarom ken je mij beter als Mario. Maar dat gaat nog veranderen. Dit is namelijk alleen de inleiding.
Mario is geen avonturier, hij zit in een rolstoel. Hij is een minderheid en kan zich slecht inleven in de meerderheid. Daar is hij zichzelf van bewust. Hij weet niet hoe het is als je benen het doen.
Het is treurig te noemen.
Maar zoals die zin al impliceert; er zijn meerdere opties. Hoe het te noemen.
Zoals het vaak is met dingen: het mooie is tegelijkertijd het lelijke. Als Mario ergens heen wil dan kan dat alleen als een ander er is om hem te duwen. In de ideale wereld zou dit een blinde zijn; want dan hielpen zij elkaar. Toen Mario tien jaar was had zijn fysieke hulpcentrum een project gestart wat zo heette: de lamme en de blinde. Toen heeft Mario een tijd samengewerkt met een blinde maar dat is hem nooit zo goed bevallen.
Mario denkt dat het niet nodig is dit uit te leggen.
Mario was zeventien jaar toen onze klas op schoolreis ging naar Parijs. Het was niet vanaf het begin zeker of hij mee zou gaan. Mario was bang dat hij mensen tot last zou zijn. Hij had het grote geluk dat hij erg goed lag in zijn klas. Iedereen beloofde dat ze hem zouden duwen. Toen besloot Mario dat hij mee zou gaan. Dit was natuurlijk een grote fout. Mensen in een rolstoel moeten dat helemaal niet willen; dingen die rieken naar avontuur.
Iedereen ging met de bus; hij werd gebracht door zijn vader.
In het jeugdhotel ontmoetten hij en wij elkaar. Er werden slaapplekken verdeeld, maar deze waren enkel symbolisch. Dat wist iedereen. Geslapen zou er niet veel worden, hoewel de bedden wel intensief zouden worden gebruikt. De busreis had al voor een groot deel uitgemaakt wie met wie.
Zo gaat dat op die leeftijd. Dat zei de begeleiding erover.
Parijs, donkere verlichte straatjes. Wolken die bijna oplichten aan de hemel. Regen. Mario vond het prachtig. Iedereen was nat. Het was alsof we leefden. De straten waren bijna spiegels omdat de lantarenpalen op de plassen schenen. Af en toe spatte er een auto voorbij. We liepen hard door, naar een avondvoorstelling.
Kanttekening van Mario
Het was Equus. Ik had het verslag erover geschreven. Iedereen had voor gestemd.
De rolstoel van Mario was zwaar om te duwen, door de natte straten. We wisselden veel. Mario zei weinig, zoals meestal. Soms grinnikte hij een beetje, om grapjes tussen anderen. Het enige opmerkelijke wat hij die hele tijd in Parijs heeft gezegd was dit:
‘Dat is hetzelfde als aan iemand vragen of hij liever groen, blauw of paars is.’
Iedereen lachte erom. Mario was daar goed in, vergelijkingen. Daarom mocht iedereen hem zo graag. De discussie was erover gegaan of mensen liever blind, doof of verlamd waren. Mario was verlamd.
Hij was denk ik liever gezond geweest, maar die optie hadden de mensen in de klas er niet bij gedaan. Op die leeftijd ben je hard voor elkaar.
Halverwege kregen twee mensen ruzie. Wie het waren en waarover het ging weet nu niemand meer, maar het ging er zo hard aan toe dat de begeleider er bij te pas moest komen. Hij haalde die twee mensen uit elkaar en riep: allez!
Dat betekende dat iedereen snel door moest lopen. (Zoals dat gaat was iedereen eromheen komen staan.) Helaas was het stoplicht al op rood, dus de begeleider kreeg vermoedelijk de schrik van zijn leven toen hij toeters en piepende remmen hoorde. Zoals dat gaat, ging alles goed.
Wel volgde er een preek. Toen liepen we door. Niemand duwde Mario. Niemand had het door.
kanttekening van Mario
Ik riep jullie nog. Maar de auto’s maakten te veel lawaai.
En dan zit je daar, en het ergste was misschien wel dat ik geen Frans in mijn pakket had. Ik had een technisch profiel met weinig talen. Dan kan je niemand om hulp vragen. Al is het alleen maar aidez in de gebiedende wijs.
Dat vertelden ze me achteraf.
Dat is net zoiets als iemand zwembandjes omdoen nadat hij is verdronken.
Vriendelijk, dat wel.
Je kan niet bewegen, en het regent en je wordt nat. En de auto’s rijden om je heen, en er wordt veel getoeterd naar elkaar en er komen mensen voorbij die je soms verbaasd aankijken, maar dan –figuurlijk- hun schouders ophalen.
Ze hebben wel meer rare dingen gezien.
Wij liepen, en als het regent loop je hard en het was een leuke stemming geweest maar na zo’n preek en zo’n ruzie en een bijna-ongeluk is dat er wel uit. Er waren veel mensen die stiekem dachten aan het moment dat ze weer thuis waren. Ik tenminste wel.
Volgens mij dacht niemand meer aan de geplande romantiek.
Een reis is zelden romantisch. Je stinkt en je hebt geen spiegel.
En ineens was het: waar is Mario?
Ik had hem als laatste gehad, dus ze keken naar mij alsof ze dachten dat ik de schrik wel weer zou sussen. Rustig maar jongens, hij zit even in mijn jaszak, lekker droog.
Dat zei ik niet.
Ik was min of meer stil en wenste nog harder dat ik thuis was of desnoods nog bij die kruising. De leraar had het nog niet door. Die liep met stevige pas. Hij had een hoed op. Hij hupste altijd een beetje. Frivool, noemen ze dat.
Een frivole leraar in parijs die een verlamde leerling ergens op een kruispunt heeft staan.
Zo moet het zijn geweest. Iedereen had het ineens warm.
Kanttekening van Mario
Ik was gaan gillen. Het was een berekening. Mijn klas kwam niet, ik wilde naar binnen. De mensen moesten mij opmerken. Nu zouden ze denken dat ik verstandelijk gehandicapt was. Dan zat ik ook niet met dat taalprobleem.
Zoals ik al zei; het was een berekening. Een verstandelijk gehandicapte in een rolstoel uitbeelden is gemakkelijker dan een intelligente rolstoelganger die door zijn klas is vergeten op een kruispunt. Helaas waren ze in Parijs niet vatbaar voor theater.
Ze keken nog iets raarder naar me.
Maar haalden hun schouders op.
Niemand wilde wachten, de hele klas wilde zo snel mogelijk naar dat ene kruispunt. Geen voorstelling, geen warm droog binnen. We scholden. We gaven elkaar de schuld maar vooral Mario. Hij moet zich laten horen verdomme.
Welke rolstoelganger gaat er dan ook naar Parijs. (Dat zei ik).
Oké
Eigenlijk waren we natuurlijk boos op ons zelf.
Toen we aankwamen op het kruispunt zat Mario daar. Hij gilde niet meer, hij keek om zich heen en glimlachte toen hij ons zat. Hij was in dat tergende halfuur geen centimeter verschoven. Hij was ook niet boos.
Kanttekening van Mario
Ik was wel even boos geweest hoor.
Maar ik weet niet hoe mensen die lopen denken.
Ik kan het ze niet kwalijk nemen.
In deze wereld heerst het waanbeeld. Eigenlijk moest de zin langer, maar zo is hij ook wel goed. Schrijven is schrappen. Vandaar.
Mensen denken.
Ja zo kan hij wel weer. Mensen denken altijd iets.
In het geval van Mario denken ze dat iedereen gelijke kansen heeft. Als je, zoals Mario, in een rolstoel zit, dan weet je wel beter.
En dan kan je nog zo hard roepen.
Als je, zoals Mario in een rolstoel zit, dan is het bijvoorbeeld heel raar om te zeggen dat je van avontuur houdt. Dat is één van de logischer dingen die tot nu toe zijn opgeschreven maar toch wil niemand dat begrijpen.
Niet van mijn definitie van avontuur. In elk geval.
Als je in een rolstoel zit, dan ben je namelijk afhankelijk van andere mensen.
een kanttekening van Mario:
Er zijn superbliephightechno-rolstoelen met knopjes.
Dan ben je minder afhankelijk.
Maar dat kan je, als je Mario bent, niet betalen. Het is ook altijd hetzelfde valse liedje.
Heb je het gevoel dat je Mario al een beetje kent? Zo gemakkelijk gaat dat niet. Ik leef in de vaste overtuiging dat mensen zeggen dat ze de personages uit boeken kennen het bij het verkeerde eind hebben.
Letterlijk; want het eind van een boek is vaak niet het einde van het personage.
een kanttekening van Mario:
Tenzij het personage sterft.
De schrijver heeft de macht. Daarom ken je mij beter als Mario. Maar dat gaat nog veranderen. Dit is namelijk alleen de inleiding.
Mario is geen avonturier, hij zit in een rolstoel. Hij is een minderheid en kan zich slecht inleven in de meerderheid. Daar is hij zichzelf van bewust. Hij weet niet hoe het is als je benen het doen.
Het is treurig te noemen.
Maar zoals die zin al impliceert; er zijn meerdere opties. Hoe het te noemen.
Zoals het vaak is met dingen: het mooie is tegelijkertijd het lelijke. Als Mario ergens heen wil dan kan dat alleen als een ander er is om hem te duwen. In de ideale wereld zou dit een blinde zijn; want dan hielpen zij elkaar. Toen Mario tien jaar was had zijn fysieke hulpcentrum een project gestart wat zo heette: de lamme en de blinde. Toen heeft Mario een tijd samengewerkt met een blinde maar dat is hem nooit zo goed bevallen.
Mario denkt dat het niet nodig is dit uit te leggen.
Mario was zeventien jaar toen onze klas op schoolreis ging naar Parijs. Het was niet vanaf het begin zeker of hij mee zou gaan. Mario was bang dat hij mensen tot last zou zijn. Hij had het grote geluk dat hij erg goed lag in zijn klas. Iedereen beloofde dat ze hem zouden duwen. Toen besloot Mario dat hij mee zou gaan. Dit was natuurlijk een grote fout. Mensen in een rolstoel moeten dat helemaal niet willen; dingen die rieken naar avontuur.
Iedereen ging met de bus; hij werd gebracht door zijn vader.
In het jeugdhotel ontmoetten hij en wij elkaar. Er werden slaapplekken verdeeld, maar deze waren enkel symbolisch. Dat wist iedereen. Geslapen zou er niet veel worden, hoewel de bedden wel intensief zouden worden gebruikt. De busreis had al voor een groot deel uitgemaakt wie met wie.
Zo gaat dat op die leeftijd. Dat zei de begeleiding erover.
Parijs, donkere verlichte straatjes. Wolken die bijna oplichten aan de hemel. Regen. Mario vond het prachtig. Iedereen was nat. Het was alsof we leefden. De straten waren bijna spiegels omdat de lantarenpalen op de plassen schenen. Af en toe spatte er een auto voorbij. We liepen hard door, naar een avondvoorstelling.
Kanttekening van Mario
Het was Equus. Ik had het verslag erover geschreven. Iedereen had voor gestemd.
De rolstoel van Mario was zwaar om te duwen, door de natte straten. We wisselden veel. Mario zei weinig, zoals meestal. Soms grinnikte hij een beetje, om grapjes tussen anderen. Het enige opmerkelijke wat hij die hele tijd in Parijs heeft gezegd was dit:
‘Dat is hetzelfde als aan iemand vragen of hij liever groen, blauw of paars is.’
Iedereen lachte erom. Mario was daar goed in, vergelijkingen. Daarom mocht iedereen hem zo graag. De discussie was erover gegaan of mensen liever blind, doof of verlamd waren. Mario was verlamd.
Hij was denk ik liever gezond geweest, maar die optie hadden de mensen in de klas er niet bij gedaan. Op die leeftijd ben je hard voor elkaar.
Halverwege kregen twee mensen ruzie. Wie het waren en waarover het ging weet nu niemand meer, maar het ging er zo hard aan toe dat de begeleider er bij te pas moest komen. Hij haalde die twee mensen uit elkaar en riep: allez!
Dat betekende dat iedereen snel door moest lopen. (Zoals dat gaat was iedereen eromheen komen staan.) Helaas was het stoplicht al op rood, dus de begeleider kreeg vermoedelijk de schrik van zijn leven toen hij toeters en piepende remmen hoorde. Zoals dat gaat, ging alles goed.
Wel volgde er een preek. Toen liepen we door. Niemand duwde Mario. Niemand had het door.
kanttekening van Mario
Ik riep jullie nog. Maar de auto’s maakten te veel lawaai.
En dan zit je daar, en het ergste was misschien wel dat ik geen Frans in mijn pakket had. Ik had een technisch profiel met weinig talen. Dan kan je niemand om hulp vragen. Al is het alleen maar aidez in de gebiedende wijs.
Dat vertelden ze me achteraf.
Dat is net zoiets als iemand zwembandjes omdoen nadat hij is verdronken.
Vriendelijk, dat wel.
Je kan niet bewegen, en het regent en je wordt nat. En de auto’s rijden om je heen, en er wordt veel getoeterd naar elkaar en er komen mensen voorbij die je soms verbaasd aankijken, maar dan –figuurlijk- hun schouders ophalen.
Ze hebben wel meer rare dingen gezien.
Wij liepen, en als het regent loop je hard en het was een leuke stemming geweest maar na zo’n preek en zo’n ruzie en een bijna-ongeluk is dat er wel uit. Er waren veel mensen die stiekem dachten aan het moment dat ze weer thuis waren. Ik tenminste wel.
Volgens mij dacht niemand meer aan de geplande romantiek.
Een reis is zelden romantisch. Je stinkt en je hebt geen spiegel.
En ineens was het: waar is Mario?
Ik had hem als laatste gehad, dus ze keken naar mij alsof ze dachten dat ik de schrik wel weer zou sussen. Rustig maar jongens, hij zit even in mijn jaszak, lekker droog.
Dat zei ik niet.
Ik was min of meer stil en wenste nog harder dat ik thuis was of desnoods nog bij die kruising. De leraar had het nog niet door. Die liep met stevige pas. Hij had een hoed op. Hij hupste altijd een beetje. Frivool, noemen ze dat.
Een frivole leraar in parijs die een verlamde leerling ergens op een kruispunt heeft staan.
Zo moet het zijn geweest. Iedereen had het ineens warm.
Kanttekening van Mario
Ik was gaan gillen. Het was een berekening. Mijn klas kwam niet, ik wilde naar binnen. De mensen moesten mij opmerken. Nu zouden ze denken dat ik verstandelijk gehandicapt was. Dan zat ik ook niet met dat taalprobleem.
Zoals ik al zei; het was een berekening. Een verstandelijk gehandicapte in een rolstoel uitbeelden is gemakkelijker dan een intelligente rolstoelganger die door zijn klas is vergeten op een kruispunt. Helaas waren ze in Parijs niet vatbaar voor theater.
Ze keken nog iets raarder naar me.
Maar haalden hun schouders op.
Niemand wilde wachten, de hele klas wilde zo snel mogelijk naar dat ene kruispunt. Geen voorstelling, geen warm droog binnen. We scholden. We gaven elkaar de schuld maar vooral Mario. Hij moet zich laten horen verdomme.
Welke rolstoelganger gaat er dan ook naar Parijs. (Dat zei ik).
Oké
Eigenlijk waren we natuurlijk boos op ons zelf.
Toen we aankwamen op het kruispunt zat Mario daar. Hij gilde niet meer, hij keek om zich heen en glimlachte toen hij ons zat. Hij was in dat tergende halfuur geen centimeter verschoven. Hij was ook niet boos.
Kanttekening van Mario
Ik was wel even boos geweest hoor.
Maar ik weet niet hoe mensen die lopen denken.
Ik kan het ze niet kwalijk nemen.
20090928
hoe je moet wonen
laat ik mezelf tenminste nu bedriegen met illusies
dan merk ik de leegte van mijn leven niet. -K.P Kavafis.
De bekendste foto die er is van mijn geboortewoonboot is hoogstwaarschijnlijk een geval van Photoshop. Op foto’s is de wereld namelijk altijd krom. De horizon achter de foto van de woonboot is onecht, zo recht.
Op die foto staat een woonboot en een horizon. En er staan twee mensen voor (dat zijn mijn ouders) met lachjes op hun gezichten. Later zou die foto een prijs winnen en op ansichtkaarten worden gedrukt met daaronder groeten uit.. De kaart werd in meerdere steden verkocht, dus er stonden achter die letters variërende plaatsnamen.
Niemand woont op een woonboot, behalve heel sommige mensen. Mijn ouders waren anders dan andere mensen. Ze wilden maar twee vuilniszakken per jaar gebruiken. Twee keer per jaar was het zo ver: dan gingen we de vuilniszak legen in zo'n enorme container van de gemeente. We namen de vuilniszak daarna weer mee naar huis. Mijn moeder legde hem dan in een emmer met warm water, waarna hij weer frisruikend in de vuilnisbak werd gestopt.
Woonboten schommelen en zijn vochtig. Ik was nooit echt in balans. Soms ging ik spelen bij vriendinnetjes. Vaak hadden ze dan aardappels over die ze, terwijl ze achteloos doorpraatten, zo in de vuilnisbak gooiden. Dat vonden ze heel gewoon.
Als die vriendinnetjes dan bij mij waren geweest was de vriendschap meestal over. Ik begreep al heel jong de betekenis van het woord verwateren en ook de herkomst.
Als je een bijzondere thuissituatie hebt, dan zit jeugdzorg altijd onder de stoeptegels te vissen. Figuurlijk dan. Het was eigenlijk een soort innerlijk betasten.
Mij kwam het wel goed uit, want met de meneren en mevrouwen van jeugdzorg kon ik goed praten over hoe raar en stom het was om op een woonboot te wonen en ook, omdat zij er zo op aandrongen, hoe raar en stom mijn ouders waren. Toen ik een jaar of tien was besloot jeugdzorg dat het beter voor mij was om in een geciviliseerde omgeving op te groeien. Dat zeiden ze, maar ze bedoelden dat ik te verwaterd raakte. (Woorden en waarheid zijn net als een woonboot en de kade,- er zit altijd een stukje tussen en als je daar tussen komt dan is dat geen pretje.)
Dat deed ik dus vanaf mijn tiende, - opgroeien in een geciviliseerde omgeving. (Bij aardige mensen die ik geen oom en tante hoefde te noemen en ook mijn ouders zag ik nog wel eens.) Het enige verschil was dat ik nu bij mensen sliep en at. Ik woonde niet meer.
Ik ontmoette een jongen die verliefd op mij werd en ik ook op hem. Ik zei tegen hem dat ik van hem hield, in de hoop dat hij hetzelfde tegen mij zou zeggen, wat hij deed. Zo hielden we elkaar voor de gek, totdat ik vond dat het genoeg was geweest.
Ik legde hem uit dat ik gewend was aan het verwateren van dingen. (Ik vertelde hem niet over mijn woonbootleven. Vergeten is verliezen.)
Ik zei hem dat nat-in-nat schilderingen ook altijd vager zijn als ze zijn opgedroogd. En dat woningen nooit voor altijd zijn.
Hij moest het zich maar niet aantrekken.
Het bleef lang stil en toen kreeg ik een sms’je van hem:
Ik zoek in alle dozen naar het bewijs van onze gelukkige momenten.
Dat vond ik treurig en ik zocht in mijn hoofd naar bewijzen van mijn eigen gelukkige momenten. Misschien waren ze er nooit geweest, in elk geval had ik ze niet opgeslagen en herinnerd. Ik dacht toen heel lang dat het belangrijk was om bewijsstukken te vergaren voor het geluk.
Ik vroeg het aan de man in het antiquariaat waar ik vaak kwam: 'bent u gelukkig?'
Ik ging daar altijd op de grond zitten bij de poëzie (en ik vond het poëzie dat het labeltje boven de boeken een handgeschreven labeltje was, op de achterkant van zo maar een kartonnetje.) Het was heel lang stil, -voor en na mijn vraag. Ondertussen bedacht ik me wie hij dacht dat ik was. Het kon niet zijn dat hij me niet herkende, zo veel mensen zitten er niet regelmatig op de grond voor de poëzie, maar we hadden nooit woorden vuilgemaakt aan elkaar. Dat lag ook aan mij, ik vind dat er al te veel woorden vuil zijn, op deze wereld.
Ik wilde dat de man van het antiquariaat een bewijs zou hebben van zijn geluk, want dat hij gelukkig was stond voor mij als een paal boven water. Mijn vraag was puur retorisch. Een bewijsstuk.
(Hoe het afliep met die man weet ik niet meer zo precies, het was zijn bewijsstuk, en voor mij was vooral de vraag belangrijk. Je stelt altijd vragen omdat je eigenlijk wilt dat jou dezelfde vraag wordt gesteld. Dat gebeurde in elk geval niet. Het was geen man van vraagtekens.)
Daarna ging ik werken in het antiquariaat en ook toen liet het vraagstuk over geluk mij niet meer los. Af en toe sms’te ik met de jongen waarop ik ooit verliefd was. Over geluk. Mijn zinnen kwamen vooral uit boeken, ik citeerde Plato en Kavafis en de Coninck en vele anderen. Het voelde alsof de boeken naar me toekwamen.
Ik probeerde de ruimte tussen de woonboot en de kade op te vullen.
Later dacht ik dat het misschien allemaal met elkaar te maken had. Net als mijn ouders hergebruikte ik. Ik hergebruikte de woorden van anderen, opdat ik er zelf niet meer vuil hoefde te maken.
Laatst zat er een kaartje bij de boter. Die je dan gratis kon versturen om iemand een gelukkig gevoel te geven. Ik besloot om hem naar de jongen te sturen waarmee ik altijd sms'te. Ik wist niet zo goed wat ik er op moest zetten. Uiteindelijk zette ik er iets alledaags op. En iets over filmmuziek en dat je die in je eigen leven eerst aan moet zetten.
Altijd als ik naar mijn ouders ga, dan zeggen ze:
doe alsof je hier woont.
Toen ik ergens anders wilde wonen vonden ze dat ik dat zelf moest weten. Mijn moeder en mijn vader, de twee mensen op het kaartje, streken me een keer door mijn haar en zeiden dat alles vanzelf op pootjes terecht zou komen. Ik stelde me onze woonboot voor op pootjes.
Mijn ouders leven in een grote illusie, net als iedereen. En ze zijn ontzettend gelukkig, dus daarmee is misschien wel het belangrijkste bewijs geleverd dat het goed is om in een illusie te leven. Altijd als ik kom, houden ze nog even de illusie vast dat ik er woon. Meestal speel ik mee, maar de laatste keer vertelde ik ze dat ik niet wist hoe dat moest. Wonen.
De nacht na de dag waarop ik dat zei droomde ik dat er een kaart op de mat lag. De kaart van de woonboot met de rechte horizon. Er stond groeten uit amsterdam op. Op de kaart was een sleutel geplakt en daaronder stond geschreven:
Misschien ben ik wel de sleutel tot het geluk.
Toen ik wakker werd, probeerde ik me voor te stellen dat het echt was. Ik was gelukkig. Ik besloot, liggend in bed, dat ik vanaf vandaag zou gaan ontdekken hoe je moet wonen. Ik dacht aan mijn ouders in hun woonboot en aan alle gezinnen die ik kende. Wat hun leven tot wonen maakte was niets meer dan de onstuitbare illusie dat ze bestonden.
Ik voelde me een moment oppermachtig.
Toen ik op de mat keek, was hij leger dan ooit.
dan merk ik de leegte van mijn leven niet. -K.P Kavafis.
De bekendste foto die er is van mijn geboortewoonboot is hoogstwaarschijnlijk een geval van Photoshop. Op foto’s is de wereld namelijk altijd krom. De horizon achter de foto van de woonboot is onecht, zo recht.
Op die foto staat een woonboot en een horizon. En er staan twee mensen voor (dat zijn mijn ouders) met lachjes op hun gezichten. Later zou die foto een prijs winnen en op ansichtkaarten worden gedrukt met daaronder groeten uit.. De kaart werd in meerdere steden verkocht, dus er stonden achter die letters variërende plaatsnamen.
Niemand woont op een woonboot, behalve heel sommige mensen. Mijn ouders waren anders dan andere mensen. Ze wilden maar twee vuilniszakken per jaar gebruiken. Twee keer per jaar was het zo ver: dan gingen we de vuilniszak legen in zo'n enorme container van de gemeente. We namen de vuilniszak daarna weer mee naar huis. Mijn moeder legde hem dan in een emmer met warm water, waarna hij weer frisruikend in de vuilnisbak werd gestopt.
Woonboten schommelen en zijn vochtig. Ik was nooit echt in balans. Soms ging ik spelen bij vriendinnetjes. Vaak hadden ze dan aardappels over die ze, terwijl ze achteloos doorpraatten, zo in de vuilnisbak gooiden. Dat vonden ze heel gewoon.
Als die vriendinnetjes dan bij mij waren geweest was de vriendschap meestal over. Ik begreep al heel jong de betekenis van het woord verwateren en ook de herkomst.
Als je een bijzondere thuissituatie hebt, dan zit jeugdzorg altijd onder de stoeptegels te vissen. Figuurlijk dan. Het was eigenlijk een soort innerlijk betasten.
Mij kwam het wel goed uit, want met de meneren en mevrouwen van jeugdzorg kon ik goed praten over hoe raar en stom het was om op een woonboot te wonen en ook, omdat zij er zo op aandrongen, hoe raar en stom mijn ouders waren. Toen ik een jaar of tien was besloot jeugdzorg dat het beter voor mij was om in een geciviliseerde omgeving op te groeien. Dat zeiden ze, maar ze bedoelden dat ik te verwaterd raakte. (Woorden en waarheid zijn net als een woonboot en de kade,- er zit altijd een stukje tussen en als je daar tussen komt dan is dat geen pretje.)
Dat deed ik dus vanaf mijn tiende, - opgroeien in een geciviliseerde omgeving. (Bij aardige mensen die ik geen oom en tante hoefde te noemen en ook mijn ouders zag ik nog wel eens.) Het enige verschil was dat ik nu bij mensen sliep en at. Ik woonde niet meer.
Ik ontmoette een jongen die verliefd op mij werd en ik ook op hem. Ik zei tegen hem dat ik van hem hield, in de hoop dat hij hetzelfde tegen mij zou zeggen, wat hij deed. Zo hielden we elkaar voor de gek, totdat ik vond dat het genoeg was geweest.
Ik legde hem uit dat ik gewend was aan het verwateren van dingen. (Ik vertelde hem niet over mijn woonbootleven. Vergeten is verliezen.)
Ik zei hem dat nat-in-nat schilderingen ook altijd vager zijn als ze zijn opgedroogd. En dat woningen nooit voor altijd zijn.
Hij moest het zich maar niet aantrekken.
Het bleef lang stil en toen kreeg ik een sms’je van hem:
Ik zoek in alle dozen naar het bewijs van onze gelukkige momenten.
Dat vond ik treurig en ik zocht in mijn hoofd naar bewijzen van mijn eigen gelukkige momenten. Misschien waren ze er nooit geweest, in elk geval had ik ze niet opgeslagen en herinnerd. Ik dacht toen heel lang dat het belangrijk was om bewijsstukken te vergaren voor het geluk.
Ik vroeg het aan de man in het antiquariaat waar ik vaak kwam: 'bent u gelukkig?'
Ik ging daar altijd op de grond zitten bij de poëzie (en ik vond het poëzie dat het labeltje boven de boeken een handgeschreven labeltje was, op de achterkant van zo maar een kartonnetje.) Het was heel lang stil, -voor en na mijn vraag. Ondertussen bedacht ik me wie hij dacht dat ik was. Het kon niet zijn dat hij me niet herkende, zo veel mensen zitten er niet regelmatig op de grond voor de poëzie, maar we hadden nooit woorden vuilgemaakt aan elkaar. Dat lag ook aan mij, ik vind dat er al te veel woorden vuil zijn, op deze wereld.
Ik wilde dat de man van het antiquariaat een bewijs zou hebben van zijn geluk, want dat hij gelukkig was stond voor mij als een paal boven water. Mijn vraag was puur retorisch. Een bewijsstuk.
(Hoe het afliep met die man weet ik niet meer zo precies, het was zijn bewijsstuk, en voor mij was vooral de vraag belangrijk. Je stelt altijd vragen omdat je eigenlijk wilt dat jou dezelfde vraag wordt gesteld. Dat gebeurde in elk geval niet. Het was geen man van vraagtekens.)
Daarna ging ik werken in het antiquariaat en ook toen liet het vraagstuk over geluk mij niet meer los. Af en toe sms’te ik met de jongen waarop ik ooit verliefd was. Over geluk. Mijn zinnen kwamen vooral uit boeken, ik citeerde Plato en Kavafis en de Coninck en vele anderen. Het voelde alsof de boeken naar me toekwamen.
Ik probeerde de ruimte tussen de woonboot en de kade op te vullen.
Later dacht ik dat het misschien allemaal met elkaar te maken had. Net als mijn ouders hergebruikte ik. Ik hergebruikte de woorden van anderen, opdat ik er zelf niet meer vuil hoefde te maken.
Laatst zat er een kaartje bij de boter. Die je dan gratis kon versturen om iemand een gelukkig gevoel te geven. Ik besloot om hem naar de jongen te sturen waarmee ik altijd sms'te. Ik wist niet zo goed wat ik er op moest zetten. Uiteindelijk zette ik er iets alledaags op. En iets over filmmuziek en dat je die in je eigen leven eerst aan moet zetten.
Altijd als ik naar mijn ouders ga, dan zeggen ze:
doe alsof je hier woont.
Toen ik ergens anders wilde wonen vonden ze dat ik dat zelf moest weten. Mijn moeder en mijn vader, de twee mensen op het kaartje, streken me een keer door mijn haar en zeiden dat alles vanzelf op pootjes terecht zou komen. Ik stelde me onze woonboot voor op pootjes.
Mijn ouders leven in een grote illusie, net als iedereen. En ze zijn ontzettend gelukkig, dus daarmee is misschien wel het belangrijkste bewijs geleverd dat het goed is om in een illusie te leven. Altijd als ik kom, houden ze nog even de illusie vast dat ik er woon. Meestal speel ik mee, maar de laatste keer vertelde ik ze dat ik niet wist hoe dat moest. Wonen.
De nacht na de dag waarop ik dat zei droomde ik dat er een kaart op de mat lag. De kaart van de woonboot met de rechte horizon. Er stond groeten uit amsterdam op. Op de kaart was een sleutel geplakt en daaronder stond geschreven:
Misschien ben ik wel de sleutel tot het geluk.
Toen ik wakker werd, probeerde ik me voor te stellen dat het echt was. Ik was gelukkig. Ik besloot, liggend in bed, dat ik vanaf vandaag zou gaan ontdekken hoe je moet wonen. Ik dacht aan mijn ouders in hun woonboot en aan alle gezinnen die ik kende. Wat hun leven tot wonen maakte was niets meer dan de onstuitbare illusie dat ze bestonden.
Ik voelde me een moment oppermachtig.
Toen ik op de mat keek, was hij leger dan ooit.
20090702
Ze had het warm en wilde kouder
en hoewel er meerdere opties waren
lag deze voor haar hand
ze zwom naar de diepte waar ze pas op een meter of
twee verkoeling vond want de warmte
drong door alles heen.
Daar rustte ze een poosje, en het was nostalgisch
bijna alsof ze zo de wereld zou kunnen bellen
(zo onder water)
alsof ze zou kunnen bellen en zeggen dat er
onder water in de koelte eigenlijk maar weinig was
wat bewoog.
Er waren dingen die ze kon doen
toen ze toch maar boven kwam en de zon
haar verblindde
wat niet uitmaakte;
er waren jongens met een bal
en er waren wolken.
en hoewel er meerdere opties waren
lag deze voor haar hand
ze zwom naar de diepte waar ze pas op een meter of
twee verkoeling vond want de warmte
drong door alles heen.
Daar rustte ze een poosje, en het was nostalgisch
bijna alsof ze zo de wereld zou kunnen bellen
(zo onder water)
alsof ze zou kunnen bellen en zeggen dat er
onder water in de koelte eigenlijk maar weinig was
wat bewoog.
Er waren dingen die ze kon doen
toen ze toch maar boven kwam en de zon
haar verblindde
wat niet uitmaakte;
er waren jongens met een bal
en er waren wolken.
Abonneren op:
Posts (Atom)